Blogs

Diertherapie

De Daily Mail bracht een aangrijpend stukje over een chronisch zieke Britse, die haar bescheiden arbeidershuisje deelt met elf dieren, waaronder honden, vogels en slangen.

De vrouw betoogt het financieel moeilijk te hebben. Had zij als vijftiger al een bewogen leven achter de rug met gezondheidsproblemen en al, nu vreest ze de invoering van een nieuwe tax die vooral hulpbehoevende mensen zal treffen. Haar situatie is zorgwekkend; meer dan een kopje soep met een broodje per dag zit er nu al niet in. Maar, alle honger ten spijt, zij blijft eten uit haar mond sparen voor al haar dieren. Uit liefde, stelt de zieke vrouw. Onvoorwaardelijke, ook nog.

Op zich klinkt het mooi. De dieren kunnen immers niets doen aan het wanbeleid van de overheid, die het weer eens heeft gemunt op weerloze burgers. Dat de ambtenarij niet wil begrijpen dat nog meer stress de zieken alleen maar zieker maakt – en dus bezwarender voor de zorg – is diep triest. Dat de vrouw zich tegen die kortzichtigheid verzet is prachtig. Dat de Daily Mail voor dergelijke verhalen een podium wil vormen valt te waarderen.

Maar er haakt iets bij me. Want wat is het geval? Zonder haar dieren zou de onfortuinlijke dame allang al dood zijn geweest, vertelt zij. Ze heeft drie jaar in een coma gelegen en daarna zware artritis gekregen. In een huishouden zonder dieren zou ze toegeven aan de pijn en de hele dag op haar bed blijven liggen. Ze heeft de dieren dus nodig, zo eenvoudig is dat.

Nu vraag ik mij af, sinds wanneer het stoppen van dieren in een kooi een daad van dierenliefde is. Ik begrijp dat niet. Menig kind zeurt zijn ouders suf om een hamster of rat, omdat het zo van dieren houdt. Met het inzicht der jaren komt het vermogen om dergelijke gevoelens te relativeren. Sommigen maken grapjes, dat ze echt wel van dieren houden maar liefst op hun bord. Geef die mensen maar eens ongelijk, want wat is kwalijker? Eten, of voeden in gevangenschap voor ons eigen plezier?

Soms kan ik me niet bedwingen om mensen te adviseren hun dier op te eten, om het uit zijn lijden te verlossen. Een vriendin had een konijn van een halve meter in een kooitje van dertig centimeter. De vacht stak overal tussen het gaas door, zo fout was het. Ik weet niet of ik konijn zou lusten, doch had het met liefde bereid. Gewoon om de reusachtige schat te bevrijden van die verdomde dierenliefde. Hij had immers geen grotere zonde begaan dan als aaibaar wezen ter wereld te komen.

Bij mensen noemen we het rekken van het lijden ook wel ‘palliatieve zorg’. Ik stel vast dat we hier te maken hebben met palliatieve dierenliefde. Ze krijgen precies genoeg eten om niet dood te gaan en men maakt zichzelf wijs dat zij dat fijner vinden. Hun lijden wordt gereduceerd tot datgene waar men beweert niets aan te kunnen doen. Dat is wel even iets anders dan onvoorwaardelijke liefde. Het is een symbiose waar de dieren waarschijnlijk in vrijheid niet voor zouden kiezen, evenmin als mensen die nog een uitweg zien.

In mijn optiek staat het niet heel ver af van dieren in laboratoriumkooien. We kunnen niet zonder, stelt men. De dieren werken belangeloos mee aan de ontwikkeling van medicijnen en make-up. Geweldig, zoveel liefde als er uit die kooien schijnt, toch? Ze krijgen te eten en worden daar heel blij van, net als de vissen die ‘gedag’ komen zeggen als er eindelijk weer eens wat voer wordt gegooid in hun glazen gevangenis. Uiteindelijk worden de dieren alleen maar gedwongen om te doen en laten wat ons het beste uitkomt.

Met onvoorwaardelijke dierenliefde heeft dit natuurlijk niets te maken. Dierenleed bevorderen om dat van onszelf te reduceren, is een fenomeen dat we gezien de medicijnenfabricage nog niet kunnen uitsluiten. Maar wil men dieren benutten als therapeutische maatregel in een medicijn of antiserum, als getralied antidepressivum of als aaibare mantelzorger, benoem dit dan ook als diertherapie en zeker niet als onvoorwaardelijke liefde.

 

Tien van Vliet, juni 2016

 

 

Knuffel je Teddy

winking teddy1Met een ziek lijf kun je soms lange tijd je afspraken niet nakomen. Bang als ik was dat hij er niet meer in zou geloven, heb ik hem voorzichtig gepolst. Gelukkig reageerde hij vlot; hij had er nog steeds zin in.
“En nu hopen dat er niet weer iets tussenkomt”, zeg ik nerveus tegen een collega.
“Ach”, antwoordt deze raadselachtig, “dat is wel het minste waar jij je druk om moet maken.”
“Huh?”
“Er is altijd een bepaalde spanning tussen man en vrouw. Ziekte zal hij nog wel begrijpen. Van die spanning weet ik het zonet nog niet.”
Tjonge, toch niet alle singles zijn op zoek naar een platte wip? Nee, als dit al spannend wordt zal het door mijn legendarische onhandigheid komen. Het is heus niet sexy om je lepel in de soep te laten vallen, een wijnfles van tafel te maaien, of struikelend bij een tafelgast op schoot te landen.

Na een treinreis van enkele uren omhelst het Centraal Station me met de verrukkelijke drukte die ik als stadse frats zo kan waarderen. Gebiologeerd door een mengeling van exotische talen loop ik in een blije toeristenstroom de verkeerde kant op. Gelukkig wijst een attente man mij de weg.
De trip gaat goed, totdat….een hele wolk zand, gevangen door de wind, in mijn gezicht wordt gesmeten. Wel, dat wordt een jofele entree straks. Mijn collega kan er gerust op zijn; zand is schurend venijn voor de edele delen.

“Sorry voor mijn aparte binnenkomst”, verontschuldig ik me even later, en spoed me naar de toiletten. “Als de sodemieter je make-up herstellen”, brom ik tegen de tranende verschijning, “dit ziet er echt niet uit.”
Beschaamd begroet ik mijn tafelheer nogmaals. Begrijpend leidt hij de conversatie weg van alle ongemakken, waarna hij de kaart als amuse presenteert.
“Het is hier gewoonte om zelf je bestellingen te halen”, verklaart hij zijn regelmatige gang naar de bar terwijl hij koffie voor me neerzet zonder voetbad. Mijn aanbod om met hem mee te lopen wijst hij hoffelijk af. Mooi, dan kan ik zelfs een gerecht met saus bestellen.
De sfeer is uitstekend in dit artistieke etablissement. Het leidt tot wezenlijk contact dat inderdaad niets heeft te maken met platte lust, doch alles met de blote ziel. “Dit is veel leuker dan ik had verwacht”, is zijn fluwelen tekst bij een tedere omhelzing.

Daags erna krijg ik ruim de tijd om wakker te worden. Loom nagenietend zie ik de plank met knuffelbeesten. Hij heeft een voorliefde voor beren. Onder een mail ter troost tijdens een ziekbed, prijkte zijn boodschap: ‘WHEN ALL ELSE FAILS, HUG YOUR TEDDY BEAR!’ Zie je wel, de man is onschuldig, een heuse ‘teddyheer’.
Ik denk aan mijn troetels. Hm, hoe zou dát staan onder een mail, hug your bunny? Zal ik hem toch maar niet vertellen dat ik eigenlijk meer heb met konijnenknuffels? Het lijkt me wijs. Galante mannen bestaan welzeker, maar galante vrouwen ook.

 

Tien van Vliet, mei 2015